

![]()
|
Links: - Wat is DNA - Overzicht van de FMF-mutaties - Codes mutatie basenparen - Internationaal klinisch laboratoria; waar wordt FMF onderzocht? - GeneTest (genetica informatie van Universiteit Washington) - Wat is Gene Therapy (Gen therapie) Inleiding Gene Therapy (download .pdf formaat) / (bekijk het online) GeneTherapy een nieuw tool voor genezing van ziekten VIDEO
|


Genen erf je van je ouders. Soms erf je fouten die een bepaalde ziekte
kunnen veroorzaken van je ouders. Dan is er sprake van erfelijke ziekte.
1. Autosomaal dominante overerving
2. Autosomaal recessieve overerving
3. X-gebonden dominante overerving
4. X-gebonden recessieve overerving
5. Multifactoriële overerving
Bijzondere situaties:
6. Mitochondriële overerving
(Mitochondriën erf je alleen van je moeder.
Dat komt omdat de mitochondriën zich niet in de kern, maar in het
cytoplasma van de cel bevinden. Het
cytoplasma is het deel van de cel
dat zich buiten de kern bevindt)
7. Mozaïcisme
(Soms komt het voor dat een
deel van de cellen in het lichaam een andere erfelijke samenstelling
heeft dan de rest van de cellen. Het kan daardoor
voorkomen dat iemand
maar in lichte mate verschijnselen heeft, afhankelijk van het celtype en
van het percentage afwijkende cellen daarin.)
Autosomaal betekent dat de overerving voor zowel jongens als meisjes
geldt.
1. Autosomaal dominant
Genetische aandoeningen waarvan het overervingpatroon autosomaal is,
worden overgedragen via één van de tweeëntwintig paar autosomen. Er is
sprake van dominante overerving wanneer het afwijkende gen van één van
de ouders bepalend (dominant) is voor de uitkomst van het genenpaar. Dat
betekent dat een ziekte ook tot uiting komt wanneer het overeenkomstige
gen van de andere, niet-dominante, ouder normaal is.
Geslachtsgebonden aandoeningen worden overgedragen via een van de
geslachtschromosomen (dus via het X- of Y-chromosoom).
2. Autosomaal recessief
Bij autosomaal recessieve
overerving van een ziektebeeld hebben beide ouders van een patiënt ieder
een genafwijking, en heeft de patiënt van elk van beide ouders juist de
twee afwijkende genen gekregen. De ouders hebben als dragers van slechts
een genafwijking met daarnaast een normaal gen geen verschijnselen van
de aandoening.
Afbeelding 4) Overerving

3 en 4 X-gebonden overerving
Bij X-gebonden recessieve aandoeningen zien we een ander
overervingpatroon. Bij een vrouw komt zo'n aandoening tot uiting wanneer
beide X-chromosomen (dus van beide ouders) het afwijkende gen bevatten.
Dit is dus hetzelfde als bij 'gewone' recessieve overerving. Een man zal
de ziekte echter al krijgen wanneer het in enkelvoud aanwezige
X-chromosoom afwijkt. Het Y-chromosoom bij de man bevat namelijk geen
genen die de afwijking op het X-chromosoom kunnen 'compenseren'. Een
afwijking op het enkelvoudige X-chromosoom leidt daarom al tot
'expressie' (uiting) van de ziekte.
5. Multifactoriele overerving
Genen
spelen niet altijd de enige rol bij het ontstaan van ziekten. Van steeds
meer ziekten blijkt dat een samenspel van meerdere genen en invloeden
van buitenaf bepaalt of iemand wel of niet ziek wordt. Daarom noemen we
dit multifactorieel(door meerdere factoren) veroorzaakte aandoeningen.
Bij multifactoriële aandoeningen zijn duidelijke regels voor de
overerving moeilijker aan te geven. Hooguit kunnen kinderen de aanleg
voor een bepaalde eigenschap of aandoening erven van hun ouders. Maar of
die kinderen hier later last van krijgen, hangt af van allerlei andere
factoren zoals voedingsgewoontes, infecties of contact met schadelijke
stoffen. Bij multifactoriële aangeboren aandoeningen gaat al tijdens de
ontwikkeling van de vrucht in de baarmoeder iets mis, waardoor het kind
met een aandoening wordt geboren.
Een voorbeeld van een multifactorieel overervende aandoening is
suikerziekte (diabetes mellitus type 1).
Van suikerziekte zijn vele
genetische risicofactoren bekend, dit is de aanleg die je van je ouders
kunt erven. Er is vaak echter een invloed van buitenaf nodig, zoals
bijvoorbeeld een virusinfectie, die ervoor zorgt dat iemand die aanleg
heeft voor diabetes de aandoening ook daadwerkelijk krijgt.
Er bestaan drie groepen van erfelijke afwijkingen:
1. Chromosoomafwijkingen : te veel of te weinig chromosomen, of een fout
in de structuur van de chromosomen (vorm, grootte).
2. monogene
aandoeningen : worden veroorzaakt door een mutatie (verandering) of een
defect van één enkel gen.
3. polygenische of
multifactoriële aandoeningen : worden veroorzaakt door een defect van
meerdere genen, gecombineerd met omgevingsfactoren
(voeding, roken, milieu,
infecties...).
Bij een autosomaal recessief erfelijke aandoening moeten beide exemplaren
van een bepaald gen afwijkend zijn. Dit is het geval wanneer je van elk van
beide ouders het foute exemplaar hebt overgeërfd. Heb je één slecht en één goed
exemplaar, dan ben je wel drager maar eigenlijk gezond. Dan heb je de ziekte
niet, maar kun je het abnormale gen wel overdragen aan je kinderen.
Autosomaal
(niet-geslachtsgebonden) RECESSIEVE overerving
Heeft iemand voor een
bepaald kenmerk een gemuteerd (veranderd) gen dat recessief is, dan zal die
persoon daar doorgaans niets van merken. Op het bijbehorende chromosoom kan
immers het 'gezonde' gen liggen dat dominant is.
Dit gezonde gen is
dominant omdat het meestal een eiwit produceert dat zodanig actief is, dat een
beperkte dosis al voldoende is. Vaak gaat het hier om de aanmaak van een enzym
dat een belangrijke rol heeft in de stofwisseling.
Iemand kan dus gezond zijn, maar wel drager
van de genmutatie die tot
de aandoening kan leiden. Zo zijn we, zonder het te weten, allemaal drager van
verschillende fouten in het DNA.
Als beide ouders echter
drager zijn van hetzelfde gemuteerde recessieve gen, dan kunnen zij dit
gemuteerde gen allebei doorgeven aan hun kind. De kans dat dit gebeurt is 25%.
Er is immers 50% kans om van één ouder het gemuteerde gen te ontvangen en daar
weer 50% kans van om het gemuteerde gen ook van de andere ouder te krijgen.
Natuurlijk is ook de combinatie van een normaal gen met een afwijkend gen
mogelijk, de kans daarop is 50%. Deze nakomelingen zijn dus weer drager van de
aandoening. Het kind kan ook van beide ouders het normale gen erven, de kans
daarop is 25%.